De introductie van het Passend Onderwijs, heeft veel effect op de rol van de interne begeleider. Waar deze zich voorheen richtte op het creëren van de goede zorg voor de leerling, baseert de onderwijsinspectie haar waardering van scholen zich nu voornamelijk op het ‘didactisch handelen’ en ‘zicht op ontwikkeling’.

Dit betekent voor de IB-er een forse taakuitbreiding. De IB’er fungeert tegenwoordig als casemanager, zorgcoördinator, didactisch coach, planvormer en data-analist om het onderwijs op een hoger plan te brengen. Met deze taakuitbreiding, is de IB-er de meest geschikte medewerker binnen de school, om het Passend Onderwijs naar de praktijk te vertalen en de kwaliteit van onderwijs te verbeteren (waarbij de directeur uiteraard eindverantwoordelijk is).

“Is het niet meer dan logisch dat de kennis niet toereikend is?”

Kijkend naar de inhoud van het gevraagde, is het niet meer dan logisch dat de kennis van de IB-er op sommige gebieden niet altijd toereikend is om de extra taken naar tevredenheid te kunnen uitvoeren. Het is een omvangrijk takenpakket waar meerdere studies aan ten grondslag zouden moeten liggen. Maar de grootste tekortkoming ligt in de beschikbare tijd. Dit is vaak nog te beperkt -0,1 fte op 50 leerlingen- in relatie met het takenpakket. Schoolbesturen discussiëren nog steeds of de interne begeleiding een taak of een volwaardige functie zou moeten zijn. Gezien de zwaarte van het takenpakket, heeft opschalen naar een functie zeker onze voorkeur.

"Juist die kwetsbare groep, de zorgbehoevende kinderen zijn vaak de dupe."

Als één ding in de afgelopen jaren duidelijk is geworden, is dat het half uitrollen van dit soort belangrijke taken geen positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het onderwijs. Uiteindelijk zijn het de kinderen met een speciale onderwijsbehoefte die onvoldoende op maat bediend worden? Dat geldt voor zowel de kinderen die niet zo goed in staat zijn te leren als de leersterke kinderen.