Skip to main content

De orthopedagoog van nu kan veel meer voor het onderwijs betekenen dan alleen gedrags- en leerproblemen diagnosticeren en adviezen geven. Een gesprek met Maaike de Waal, interim schoolpsycholoog, en Cora van Rheenen, orthopedagoog in opleiding tot schoolpsycholoog. Beiden werken ze bij OnderwijsConnected.

Moeten we ons beeld van de orthopedagoog in het onderwijs bijstellen?

‘Vroeger hielden we ons vooral bezig met het diagnosticeren van gedrags- en leerproblemen en het geven van adviezen. Dat beeld bestaat nog steeds. Maar ons werkterrein is inmiddels veel groter en bestrijkt het hele gebied van vragen op leerlingniveau tot medebepalen van bovenschools beleid.’

Wat is in dat brede spectrum de rol van de orthopedagoog?

‘Het startpunt voor onze interventies is altijd een vraag. Dat kan een vraag van een leerling of leerkracht zijn, maar ook van een team, directeur of bestuur. Wij onderzoeken de vraag met open blik en helpen deze zo nodig scherper te formuleren. Vervolgens gaan we samen met de vrager na wat die concreet wil bereiken, in het licht van de doelen van de onderwijsinstelling. Ook brengen we in kaart wie welke belangen heeft. Is dit duidelijk, dan maken we een plan om het gestelde doel te bereiken. Het mooie is dat dit proces op zichzelf meestal al onderdeel is van de beoogde verandering.’

‘De orthopedagoog van nu heeft een adaptieve functie’

Is daarmee de aanpak bij individuele problematiek ook veranderd?

‘Inderdaad. Hoewel we altijd al wisten dat het belangrijk is om niet alleen naar het kind zelf te kijken, maar ook naar het systeem om het kind heen (denk aan klas, leerkracht en thuissituatie), werden we voorheen toch vooral ingevlogen om bij problemen een individueel onderzoek bij het kind af te nemen. Tegenwoordig besteden we meer tijd aan het versterken van de context. Het profiel van het kind en diens omgeving, de stimulerende en belemmerende factoren en onderwijsbehoeften vormen samen een totaalplaatje. Wat er in deze situatie nodig is, bekijken we vanuit dat totaalplaatje, dus niet meer alleen vanuit het onderzoek van het kind zelf.’

Kun je daarvan een voorbeeld geven?

‘Bij een zwakke lezer kun je een dyslexie-onderzoek afnemen, maar als blijkt dat het kind om allerlei redenen helemaal geen leesmotivatie heeft, is het waarschijnlijk zinvoller om eerst met leerkracht en ouders te kijken hoe je daar verandering in kunt brengen.’

Doen jullie dan geen diagnostisch onderzoek meer?

‘Stel je bent aan het wandelen en ontmoet een beer. Vanuit jouw perspectief is dat een probleem. Maar voor die beer is dezelfde ontmoeting een kans: een kans op een lekker hapje’. Dit voorbeeld maakt duidelijk waarom wij als orthopedagogen niet vanuit een probleem denken, maar willen weten waar behoeftes liggen, en wat de omgeving kan doen om bij te dragen aan verandering. Uiteraard nemen we nog steeds een individueel onderzoek bij een kind af. Maar dat doen we niet klakkeloos. Diagnostiek is geen doel op zich. Een onderzoek heeft alleen meerwaarde als dat noodzakelijk is voor een goed totaalbeeld en als de uitkomsten richting kunnen geven aan je handelen. Het gaat erom: wat wil je weten en wat wil je bereiken met het antwoord op je vragen? De context is onderdeel van je diagnostiek en ook van je interventie.’

‘Leidend voor wat wij doen zijn de vragen: ‘Wat is in deze situatie nodig om de ander(en) in ontwikkeling te krijgen?”, “Wat willen we ermee bereiken?” en “Wat is de beste aanpak?”’

Wat is het voordeel van deze veranderde aanpak?

‘Er is daardoor meer ruimte om te werken aan een goede basis waar álle leerlingen van profiteren. Grofweg 85% van de leerlingen in het basisonderwijs heeft geen extra ondersteuning nodig. 12% heeft een klein beetje extra hulp nodig en 3% vraagt veel extra aandacht, bijvoorbeeld vanwege dyslexie of dyscalculie. Het is effectiever om te investeren in een goede basis waar álle leerlingen van profiteren dan alleen in de kleine groep leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. Wat daarin onze rol is, hangt af van de vraag en de situatie. De orthopedagoog van nu heeft dus een adaptieve functie. De ene keer stellen we verdiepende, kritische vragen om de ander (leerkracht, IB’er, ouders) aan het denken te zetten, een andere keer geven we advies. Vaak zetten we in op het sterker maken van de IB’er voor een volgend vraagstuk. Bijvoorbeeld door samen door te spreken waarop die kan letten bij het observeren in een klas. Als het nodig is, kijken we zelf mee in de klas. En zo nodig werken we samen met externen, zoals een Sociaal wijkteam of de Jeugd ggz.’

Wat is in het brede spectrum van werkzaamheden de kern van de rol van de orthopedagoog?

‘Leidend voor wat wij doen zijn de vragen: “Wat is in deze situatie nodig om de ander(en) in ontwikkeling te krijgen?” en “Wat willen we ermee bereiken?” Wij helpen het onderwijs om meer doelgericht te werken. Dat klinkt zo eenvoudig, maar is het niet altijd. Onderwijsprofessionals zijn doeners, die de neiging hebben om meteen te handelen. Maar al heb je nog zo het gevoel te worden geleefd, eerst nadenken over wat je wilt bereiken levert bijna altijd tijdwinst op.’

Het is in het onderwijs net zoals Johan Cruijff eens zei: ‘Voetballen is heel simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen.’

Leave a Reply